De geschiedenis van de diergeneeskunde

Oprichting - het tijdperk van de klassieke veearts

In de 18e eeuw werd Nederland drie keer getroffen door een grote uitbraak van runderpest. Als gevolg van het gebrek aan kennis op het gebied van de diergeneeskunde, stond men hier machteloos tegenover. In 1821 werd in Utrecht de Rijksveeartsenijschool opgericht. Gehoopt werd dat wetenschappelijk opgeleide veeartsen het probleem van de veeziekten zouden kunnen oplossen. Daarnaast leverde de school paardenartsen af, waaraan in het leger grote behoefte bestond. Aanvankelijk konden de in Utrecht gediplomeerde veeartsen nauwelijks opboksen tegen de concurrentie van hoefsmeden, koehelpers, paardendoctors en andere personen die ook in de praktijk actief waren. Rond 1850 liep het aantal studenten sterk terug en minister Thorbecke voorkwam met een reorganisatie, sluiting van de school.

Ontwikkeling naar opleiding voor allround dierenarts

Vanaf ca. 1870 breidde de werkgelegenheid voor veeartsen zich geleidelijk uit. In het leger en in de groeiende steden nam de vraag naar paardenartsen toe. Als gevolg van een hogere consumptie en export van vlees en zuivel kwam de veehouderij verder tot ontwikkeling. De vraag naar gezondheidszorg voor productiedieren nam hierdoor sterk toe. In 1874 werd de titel veearts wettelijk beschermd. Pas rond 1910 had de veearts – die zich vanaf dat moment ‘dierenarts’ ging noemen – een stevige positie in de Nederlandse samenleving veroverd. Dit was vooral te danken aan de wetenschappelijke ontwikkeling van de diergeneeskunde, waardoor effectieve therapieën, vaccins en nieuwe diergeneesmiddelen beschikbaar kwamen. Het vak werd toen verder uitgebreid met de zorg voor kleine huisdieren en de kwaliteitscontrole van vlees, melk en eieren. De kwaliteit van veterinair onderwijs en onderzoek kwam op een hoger peil te staan; de naam van de opleiding veranderde in 1918 in Veeartsenijkundige Hoogeschool. In 1925 werd de opleiding als Veeartsenijkundige Faculteit een onderdeel van de Rijksuniversiteit Utrecht.

Na 1960 - groei en verhuizing

Na stagnatie in de crisisjaren en de Tweede Wereldoorlog maakte de faculteit vanaf omstreeks 1960 een snelle groeifase door. Door veel mensen werd meer tijd en geld besteed aan hobby’s, waaronder het houden van allerlei dieren voor gezelschap, recreatie en sport. Daarnaast werd de veehouderij nog verder uitgebreid door schaalvergroting en intensivering. De vraag naar dierenartsen steeg hierdoor enorm. Niet alleen in de praktijk maar ook bij de faculteit groeide het patiëntenaanbod sterk. Daardoor werd in de periode 1967-1988 een verhuizing vanuit de binnenstad naar uitgebreide en moderne faciliteiten in het universiteitscomplex De Uithof noodzakelijk.

Positie van de dierenarts en zijn vakgebied

Vanaf 1821 is het vak veranderd van een ambacht dat werd uitgeoefend door hoefsmeden, in een beroep van academisch opgeleide professionals, die hun hand niet omdraaien voor een keizersnede of een open hart operatie. Aan het begin van de eenentwintigste eeuw staan de positie van de dierenarts en het nut van de diergeneeskunde voor de samenleving niet ter discussie. Het beroep heeft een hoge status en een positief imago. Dat hangt nauw samen met de veranderde functie en betekenis van het dier in de moderne samenleving, en de daaruit voortvloeiende vraag naar diensten van de dierenarts.